Klimaatopwarming mag je niet koppelen aan ‘het weer’, zoals wij dat beleven. Het heet niet voor niets ‘global warming’, wereldwijd warmt het op, wat er lokaal gebeurt, is geen goede indicator voor mondiale processen. Koude-uitbraken kunnen nog steeds in een warmer wordende wereld, maar zullen zeldzamer en minder heftig worden, terwijl hittegolven juist gewoner, langer en heter worden. Onze winters worden milder, maar eind januari werd het toch nog even koud. Er viel eindelijk weer eens sneeuw, poedersneeuw zelfs. Daar hebben we lang op moeten wachten. Na drie dagen was het weer weg, meer dan een vleugje winter was het niet. Niet te vergelijken met de cold blast in het midwesten van de VS eind januari. Trump was er als de kippen bij met zijn tweet: ‘What the hell is going on with climate change?’ Toen het in hetzelfde gebied een paar dagen later +20 was, bleef het stil. Tja, als zelfs een president het verschil tussen ‘weer’ en ‘klimaat’ niet snapt, wat moet er dan van klimaatbeleid terechtkomen in het land dat per capita het meeste uitstoot ter wereld? Hier in Europa wordt het probleem serieuzer genomen. En ondanks kritiek dat het allemaal te langzaam gaat en onvoldoende is, worden er wel degelijk concrete stappen gezet. Zo werpt de Europese CO2- heffing voor de industrie haar vruchten af. Het stelsel stimuleert industrieën stappen te zetten in reductie, want de vervuiler betaalt. Er kunnen emissierechten worden uitgewisseld. Wie minder uitstoot, kan die verzilveren. Dat stimuleert innovatie, energiezuiniger produceren en de energietransitie. Klinkt goed, maar is in de praktijk knap lastig.